HISTORIE
HVS
Sliedrechts Museum Baggermuseum
 

In de eerste eeuwen van onze jaartelling bestond Sliedrecht nog niet. De nederzetting ontstond op moerasachtige gronden op de zuid-oever van de Merwede, in de huidige polder Crayenstein op het Eiland van Dordt, tegenover het Sliedrecht van vandaag. De naam ‘Sliedrecht' wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van 2 mei 1064 van de hand van de Duitse keizer Hendrik IV aan de bisschop van Utrecht.

Oorsprong van de naam Sliedrecht
Over de oorsprong van de naam ‘Sliedrecht' geeft de lokale schrijver ir. W. Bos Jsn. twee lezingen. In de eerste plaats zou ‘Slie' wijzen op een Germaans woord dat ‘slik' betekent. Het achtervoegsel ‘drecht' is van Nederfrankische oorsprong en betekent ‘overtocht'. Kortom: ‘Overtocht over slibberig water' dus. De Merwede was heel vroeger dan ook veel breder, en daardoor ondieper dan vandaag de dag. Een tweede uitleg is dat ‘Slie' komt van het riviertje ‘de Sleye'. En omdat ‘drecht' ook wel vertaald kan worden met ‘stroom' zou de betekenis eenvoudig ‘Sleyestroom' kunnen luiden.

Het gebied overstroomde regelmatig, zodat de landerijen met een vruchtbare laag slib overdekt werden. Het hoge water van de St. Elizabethvloed van november 1421 was echter dermate rampzalig dat het hele dorp werd weggevaagd en de overlevenden hun heil moesten zoeken in Menkenesdrecht, op de noordoever van de Merwede. Uit dit dorp Menkenesdrecht is het het huidige Sliedrecht ontstaan.

De bewoners van het verdronken Sliedrecht kwamen vooral terecht in het ambacht (dorpsdeel) Lockhorst, gelegen ten westen van de kerk. Daar wachtten zij af tot hun dorp weer bedijkt zou worden, maar hiervan is het nooit meer gekomen. Daarom kreeg Lockhorst al snel de naam ‘Over-Slydrecht'.

Gevecht tegen het water
De Alblasserwaard leek toen een beetje op de huidige Biesbosch. De vaak voorkomende overstromingen vormden een beletsel voor landbouw en veeteelt bij dorpskernen en vormden bovendien een te groot gevaar. Iedere gebruiker van een stuk land kreeg in die nieuwe nederzetting dan ook de verplichting een stuk dijk (dijkvak) aan te leggen, dat hij daarna moest onderhouden. Uit een giftbrief van Floris V uit 1277 blijkt dat de bedijking toen al bestond. Het Sliedrecht van nu (daarvoor nog gewoon buitendijks land) kwam toen dus binnen de 'Hooge-Dijck' te liggen.

Vanwege de regelmatig terugkerende hoge waterstanden en overstromingen, en omdat de bodem van de polder slechte landbouwgrond was, hebben landbouw en veeteelt nooit een belangrijke rol gespeeld rond Sliedrecht. Men verdiende vooral geld in de visserij, vlasbewerking, touwslagerijen, het snijden en drogen van biezen voor het maken van bijvoorbeeld manden, korven en stoelen.

Omdat enerzijds landbouw en veeteelt dus weinig opleverden, maar anderzijds en het gevecht tegen het water steeds belangrijker werd, ontstond een nieuw beroep: de dijkwerker. Veel buitenaf werkende dijkwerkers kwamen uit Sliedrecht. Deze ‘brijhappers' (brij = modder) stonden al snel bekend om hun vakmanschap en de kennis van zaken waarop rijshout geteeld moest worden. Dit rijshout werd al in de vijftiende eeuw gebruikt bij de aanleg van de Alblasserwaardse dijk. Het werd in matten gevlochten en ter versterking op het dijklichaam vastgezet. Het maken van rijsbeslag, rijshouten hoofden en kuipwerk vormden met name vanaf midden achttiende eeuw een steeds belangrijker bron van inkomsten.

Toen de Spanjaarden definitief uit de streek verdreven waren, nam de welvaart in Sliedrecht toe. Sliedrecht was alle andere dorpen in de omgeving ver vooruit en de jaren 1598 tot 1658 moeten voor deze plaats een 'gouden eeuw' zijn geweest. Na nieuwe overstromingen in 1658, 1663 en 1672 liep de welvaart helaas weer snel terug.

Ontstaan van de baggerindustrie
Het financieren van grote grond- en dijkwerken met bijbehorende risico's was in de zestiende en zeventiende eeuw voorbehouden aan rijke investeerders uit de grote steden. Zij gebruikten aannemers die dijkwerkers ‘uit Sliedrecht of daeromtrent' inhuurden vanwege hun vakkennis. In Sliedrecht zelf durfde men alleen op kleine werken zelfstandig het risico van financiering aan.

Pas eind 18e eeuw waagde men zich aan grotere projecten. Het was gebruik het benodigde geld alleen bij plaatsgenoten te lenen. Kapitaal en rente bleven hierdoor in hetzelfde dorp en men werd steeds minder afhankelijk van geldschieters in de steden. In de 18e eeuw groeide de Sliedrechtse aannemerij gestadig en woonden er heel wat 'aennemers van publyck besteedde wercken' in het dorp. Zij vormden het voorgeslacht van veel in Nederland gevestigde baggerbedrijven.

De werktuigen bleven lange tijd eenvoudig en gering in aantal; hoofdzakelijk spaden, kruiwagens, vlet en baggerbeugel. Alleen de overheid baggerde met molens. Pas in 1818 begon men in Sliedrecht met een paardenmolen. Het accent bleef echter nog lang op rijs- en oeverwerken liggen.

Toen in 1885 de eerste stoomraderboten op de Merwede verschenen, kwam Adriaan Volker op het idee van de stoombaggermolen. In 1864 kon zijn inmiddels gerespecteerde bedrijf de eerste stoombaggermolen aanschaffen en zijn ideeën werden al snel overgenomen door anderen in het dorp.

Scheepswerven
Voor Sliedrecht kwam de grote doorbraak toen onder minister Thorbecke in 1862 werd besloten de Nederlandse kust voor de grootste schepen toegankelijk te maken. De enorme werken aan het Noordzeekanaal, de Nieuwe Waterweg en de havens van Rotterdam en Amsterdam werden met groot succes uitgevoerd. Voor Sliedrecht had dit als gevolg dat er scheepswerven ontstonden, zowel voor reparatie als nieuwbouw van kleine baggerwerktuigen. Het succes van de Waterweg werd ook in het buitenland bekend. Vanaf 1880 werkten de Sliedrechtenaren in Frankrijk, Spanje en Duitsland. en vanaf 1900 over de gehele wereld.

Door deze economische successen breidde de bevolking in Sliedrecht zich, zoals in de rest van Nederland, snel uit. In 1851 en 1901 werden diverse uitbreidingen van de gemeente gerealiseerd.

Verdere mechanische ontwikkelingen zorgden voor uitbreiding van de Sliedrechtse industrie: rondom de baggerindustrie bloeiden de technische installatiebureaus en diverse toeleveringsbedrijven op. De afhankelijkheid van één industriële sector had wel tot gevolg dat de economische depressie van de dertiger jaren van de vorige eeuw Sliedrecht hard trof. Meer dan de helft van de beroepsbevolking was op werkelozensteun aangewezen.

Tweede Wereldoorlog
In de oorlog werd Sliedrecht door diverse bombardementen getroffen, zowel Engelse als Duitse. Vooral in de periode ‘44-‘45 speelde Sliedrecht een belangrijke rol voor het verzet. Vanuit deze gemeente pendelden de zogenaamde line-crossers via de voor de Duitsers moeilijk te controleren Biesbosch naar het inmiddels bevrijde Noord-Brabant